“Als de eerste verkenners in het Verdronken Land van Saeftinghe, gaven wij enkele landschapspunten hun namen. Het Kanaal bijvoorbeeld heb ik zo genoemd, omdat dat ontstaan is uit een greppel die de schaapherders gegraven hebben om het opkomende water van de Schelde in op te vangen en weg te leiden. Op de duur spoelde dat water een geul in de dijk. De Blauwe Plaat dankt haar naam aan de vele blauwe lamsoorbloemen die daar vroeger groeiden. Er was zo ook een inham, waar vier geulen uitstaken: Koeienuier (lacht).”

Profiel

  • Naam: Jean Maebe
  • Functie: Natuurkenner en -beschermer
  • Bedrijf: Het Verdronken Land van Saeftinghe
  • Leeftijd: 89

Verwezenlijkingen

  • Teller en waarnemer van duizenden vogel- en plantensoorten
  • Verbod op jacht en vogelvangst
  • Onderscheiden met Gouden Lepelaar en eigen geul
  • Pionier van Saeftinghe

Geëerd met geul en lepelaar

“Eigennamen kenden we niet toe. Er zijn maar drie mensen naar wie een geul vernoemd is: de Van De Zandegeul, naar iemand die tijdens de oorlog gecrashte piloten verstopte in het Schor. De Jos Nevegeul, naar de eerste conservator van Saeftinghe. En de derde geul hebben ze naar mij genoemd. Dat was een complete verrassing. Op een dag vroegen ze mij om eens mee te komen naar de geul en daar was een soort feestje aan de gang. Een grote eer eigenlijk, ik ben heel blij dat ze dat voor mij hebben gedaan.”

“Vanaf 1948, ik was nog heel jong, bezorgde ik al mijn vogeltellingen aan het Instituut voor Biologisch Onderzoek in Nederland. In België was mijn contactpersoon graaf Leon Lippens. Op een gegeven moment belandden mijn tellingen zelfs bij een vrouw in Londen. Dat werd toen internationaal bijgehouden, birdwatching. Het is dankzij hen dat alles wat ik en mijn vaste compagnon Rik Van Der Vloet al die tijd hadden gedaan, bewaard en bekend was. Wellicht is het mede daardoor dat ik genomineerd werd voor de Gouden Lepelaar. Ook daar wist ik niets van af. Voor een Belg is het zeer uitzonderlijk om die onderscheiding te krijgen.”

Normale hobby

“De interesse in natuur kreeg ik via mijn broer, die wetenschappen studeerde. Gewoon om dat eens te willen zien, ging ik een keer met hem mee naar het park Rivierenhof. In mijn klas zaten nog een paar mannen die naar vogels gingen kijken en luisteren. Zo is er een kliek ontstaan, waarmee we er regelmatig op uit trokken. We legden samen om de twee determineerboekjes uit die periode te kopen. Toen was dat een normale hobby.”

“Aan de hogeschool studeerde ik boekhouden. Daarna werd ik diensthoofd bij de financiële dienst van de Antwerpse Gasmaatschappij, dat later fusioneerde met Electrabel. Bij die fusie kwamen ze plots met twee diensthoofden te zitten. Omdat ik toen 64 jaar was, stelden ze mij voor om mijn pensioen tot 65 jaar uit te betalen. Dat kwam mij heel goed uit, want zo kreeg ik met de klap heel veel vrije tijd om met Rik de natuur in te gaan.”

Naakt de geul overzwemmen

“Mijn eerste bezoek aan Saeftinghe was op 23 maart 1943. In het begin verraste het snelle tij ons een paar keer. Vroeger lagen er over de geulen bruggen naar de jaagpaden, maar niet elke geul had zo’n brug. Zo gebeurde het dat Rik en ik ons moesten uitkleden en een geul overzwemmen, met onze kleren in één hand boven het hoofd. Daarna mochten we nog eens terug over en weer om onze verrekijkers te gaan halen. Op de duur wisten we hoe we die diepe geulen konden omzeilen.”

“Daar geraken kort na de oorlog was niet evident. Er was slechts één legitieme doorgang via De Clinge. Als we zeiden dat we naar de vogels kwamen kijken, lieten ze ons wel door en na verloop van tijd gingen we niet meer via die douanepost. Ze kenden ons al, dus lieten ze ons begaan. Eén keer hebben we een grappig incident voorgehad. In België waren op dat moment geen laarzen te krijgen. Ik droeg laarzen die ik van een Engelse soldaat had gekocht, maar Rik had er geen. Hij kocht eens een paar in Nederland en met die laarzen aan gingen we langs de douane. Ze bekeken zijn voeten en vroegen “kom eens binnen.” Hij naar binnen met zijn laarzen en hij kwam buiten op zijn kousen (lacht).”

Onverwachtse opgravingen

“Onze uitkijkposten waren de schapenstallen, de schaapherders stonden ons dat toe. Eén van die schaapstallen is overgebleven en kan je nog bezoeken in Noord-Saeftinghe. Die staat daar al sinds eind 1800. In die dagen hadden we alleen verrekijkers. Mijn oudste staat nu in het café vlak aan het bezoekerscentrum. Die kreeg ik van mijn ouders, die hem net na de oorlog gekocht hadden in Duitsland. Een andere verrekijker heb ik gevonden in een loopgraaf aan het Albertkanaal. Ik zag iets blinken en eerst vertrouwde ik het niet. Het zou niet de eerst onontplofte granaat of obus zijn. Op de terugweg zag ik opnieuw die glinstering. Toen ik er eens aan ging krabben, bleek dat een verrekijker te zijn. Wellicht had een soldaat die daar verstopt.”

“Wist je dat er ooit een kasteel Saeftinghe heeft gestaan in het noordelijke deel? Daar vond ik regelmatig bouwstenen, pijpen en houten restanten van terug. Ik heb zelfs enkele patergraven ontdekt. Door het water komen veel archeologische vondsten bloot te liggen. Die liggen in het bezoekerscentrum.”

Redding met helikopter uit Koksijde

“Rondleidingen geven vond ik als allereerste gids alleen lastig als ik een mengeling van jongeren en ouderen mee had. Halfweg vroeg ik altijd “gaan we terug?” Jonge gasten zeiden dan altijd “nee, in de geul!” en de ouderen zwegen veelbetekenend (lacht). Ik heb twee zware ongevallen meegemaakt. In die tijd had je geen telefoon voor zulke noodgevallen, dus stuurde ik een jonge gast naar het dichtstbijzijnde huis om daar te bellen. Ze zijn meermaals met de helikoper vanuit Koksijde iemand komen ophalen. Met dat opkomende water kan je daar geen uren staan wachten hé. Nog iets is drijfzand. Er zijn er altijd die te ver van mijn veilige pad afwijken. Die mogen we er kort nadien uittrekken (lacht). Dikwijls verliezen die hun laarzen en moeten ze op blote voeten verder.”

“Naast de tellingen hielpen we ook de vogels. Wij hebben honderden eenden geringd. Als die ruien, verliezen ze al hun veren en kunnen ze niet vliegen. Dan kan je ze aan de Marlemont zo oprapen.  Daarnaast broedden er heel veel meeuwen, die we ook ringden. Kokmeeuwen, zilvermeeuwen… ik heb ooit het eerste zilvermeeuwnest en mantelmeeuwnest gevonden. En visdieven, hé. Voor hen spanden we speciaal kippendraad, zodat de planten, die met het Scheldewater aanspoelden, zouden blijven hangen. Dat zijn ideale broedplaatsen voor hen. Als het water opkwam, dreven die nesten, dus zaten ze veilig.”

Soorten komen, soorten gaan

“Eigen aan Saeftinghe is dat de vegetatie verandert en die vegetatie trekt op haar beurt nieuwe vogels aan. Andere gaan dan weer weg, omdat hun favoriete planten niet langer voorkomen. Geelgorzen, tapuiten, veldleeuweriken… toen je vroeger in de polder kwam hoorde je er elke 50 meter één zingen. De grutto is hier ook heel zeldzaam geworden. Nieuwe soorten zijn de rietvogels. Baardmannetjes. Op hier en daar een plekje na was hier vroeger geen riet. Ganzen zijn hier ook relatief nieuw. Vroeger kwamen die niet in de schorren. Nu doen ze dat wel om zeebiesknollen te komen eten. Zeebies is een hoge grassoort, die ook meer kiekendieven heeft aangetrokken. Hier komt trouwens een unieke bij voor, de schorzijdebij. Die maakt gaten in de hoge delen van het schor, legt daar een eitje, dat de schorviltbij komt parasiteren.”

“Vroeger kwam je zelfs zeehonden tegen in het schor. Waar komt de naam Hondegat vandaan, denk je? Een of andere visser uit Lillo bejaagde hen daar, al was hij niet de enige. Lange tijd was er in België tussen oktober en november vogelvangst. De gevangen vogels kon je kopen op de vogelmarkt van Antwerpen. Met mijn spaarcenten heb ik toen heel wat sperwers gekocht en vrijgelaten in Kalmthout. Hier in Saeftinghe, dat zal in 1990-1991 geweest zijn, heb ik samen met Henk Castelijns (Natuurbescherming De Steltkluut) en schaapherder Jan Boel een proces aangespannen tegen die vogelvangst. Dat heeft mij veel geld gekost. Gelukkig kreeg ik veel steun van Belgische natuurverenigingen en natuurliefhebbers en zo hebben we uiteindelijk de jacht in Saeftinghe kunnen verbieden.”

Reigerkolonie van Berendrecht

“Mijn vrouw stoorde zich er niet aan. Zij zag dat ik het niet alleen deed. Mijn broer heeft sinds zijn opleiding geen natuurstudie of bescherming gedaan. Samen met hem ben ik lid geworden bij De Wielewaal. Daarmee gingen we onder andere elke tweede Paasdag met de boerentram de reigerskolonie van Berendrecht bezoeken. De reigers komen daar elk jaar massaal samen om te broeden. Eerst gingen we iets drinken in een klein cafeetje dat daar toen nog stond. Omdat wij met zoveel waren, moest de helft meestal wachten totdat de andere helft gedronken had, omdat ze te weinig glazen hadden. Het heette de Piep in ’t Riet.”

“Tegenwoordig hebben we nog altijd onze vaste groep waarmee we gaan spotten. Voor een dag vogelspotten heb ik niet veel nodig. Ik schrijf nog altijd alles op in mijn schriftjes en voor de rest kom ik toe met een verrekijker, boterhammetjes en een flesje drank. Ter controle heb ik een determineerboekje bij. Onlangs heb ik dat nodig gehad, toen ik de Aziatische goudplevier zag. Die had ik van mijn leven nog niet gezien.”

Doe mee!

Als wereldhaven is de haven van Antwerpen cruciaal voor de economische welvaart van het land. Daarvoor moet zij blijven ontwikkelen in harmonie met natuur en milieu. Ontwikkeling Havengebied Antwerpen legt daarom nieuwe leefgebieden aan, waarin fauna en flora weelderig bloeien.

Daarnaast kan Moeder Natuur rekenen op haar groene garde, waarin havenhelden als Jean doen wat ze kunnen om haar te beschermen. Mensen die er hun hobby van maken zoveel mogelijk pracht en praal te ontdekken, documenteren en opvolgen. Dankzij hun waarnemingen en bevindingen, kan er tijdig ingegrepen worden, wanneer een soort het moeilijk dreigt te krijgen.

Ben jij of ken jij iemand die de natuur koestert? Of die zich ontfermt over planten en dieren? Laat het ons weten, want wie de havennatuur beschermt, verdient een bloemetje!

Start typing and press Enter to search