“Als kind speelde ik heel graag op het vroegere Oude Graandok. Daar was nog een beetje groen en omdat er veel schippers aanmeerden, kwam ik er veel kameraden tegen, waarmee ik op school zat of die ik kende uit het schippersmilieu. In het weekend en de vakanties speelden wij daar, je kon er fietsen en er stonden allerlei oude legervoertuigen waar we op mochten kruipen.”

Profiel

  • Naam: Patrick Pauwels
  • Functie: Veerbootkapitein
  • Bedrijf: Vlaams Gewest
  • Leeftijd: 54

Verwezenlijkingen

  • Begon als matroos op een tankschip
  • Werkte zich op tot kapitein
  • Gunt dagelijks honderden mensen hun dagelijks pleziertje
  • Gaf zeemansbestaan op voor zijn vrouw

“Je moet weten dat ik letterlijk al zolang vaar als dat ik besta. Mijn ouders waren binnenschippers en toen ik pasgeboren was, namen ze mij al mee aan boord in een box. Zo lag ik veilig terwijl mijn ouders aan het werk waren. Tot mijn zes jaar ben ik zo opgegroeid. Daarna ben ik op internaat gegaan en kwam ik tijdens de schoolvakanties terug aan boord. Op die leeftijd kon ik al eens iets aangeven of iets schilderen. Op die manier ben ik opgegroeid in dat milieu en heb ik nooit iets anders gekend. Ik had geen zicht hoe andere kinderen leefden. Andere vriendjes kwam ik alleen tegen op school of terwijl wij ergens stonden te laden of te lossen.”

Schippersclan

“Zie het als een commune, een vrij besloten wereld, waarin de schippers een clan vormen. Een hechte, geborgen gemeenschap. Als er uitgegaan werd, gingen die allemaal naar dezelfde omgeving. Wij gingen bijvoorbeeld niet gemakkelijk met dokwerkers naar dezelfde kroeg. Niet dat wij ons moedwillig wilden afscheuren of dat wij onszelf hoger inschatten, het was nu eenmaal zo. Schippers horen dit niet graag, maar ik vergelijk het soms met zigeuners. Die reizen ook van de ene plek naar de andere en hangen heel sterk aaneen. Als er een schipper ruzie kreeg, kwamen de andere schippers hem te hulp.”

“In mijn pubertijd heb ik even getwijfeld of dat schippersmilieu was wat ik wilde. Toen ik alle mogelijkheden zag, was de beperkte sociale vrijheid niet echt aantrekkelijk. Toch ben ik na het internaat bij mijn ouders aan boord gegaan. Eind jaren ’70, begin jaren ’80 was er heel weinig werk voor iemand met een opleiding draaier/frezer. De rederij waarvoor mijn ouders voeren kon maar twee mensen tewerk stellen: mijn vader werd betaald als kapitein, mijn moeder als matroos. Een jaar heb ik zo zonder vergoeding meegeholpen en de stiel verder geleerd.”

Het matrozenbestaan

“Daarna ging ik voor een rederij op een tankschip varen. Als matroos moesten we zorgen dat het schip proper vol- en leeggepompt geraakte, wat bij tankschepen vrij specifiek werk is. Daarnaast maakten wij telkens het schip los of vast. Onderweg van punt a naar punt b deden we het onderhoud: kuisen, veel schilderen, spoelen… een continu werk omwille van het corrosieve zout. ’s Nachts bleven wij mee wakker bij de kapitein. Een extra paar ogen ziet altijd meer. Tot slot assisteerden we de gespecialiseerde technici bij het technisch onderhoud.”

“In de winter kon het slecht weer zijn op zee. Ergens was dat leuk, maar tegelijk beangstigend. Zeker als we wisten dat we op een niet zo sterke schuit zaten, was het spannend kijken naar golven die over het dek sloegen, want daar was het niet helemaal uitgesloten dat we effectief zouden omslaan (lacht). Het stuk hout dat we gebruikten om tussen het schip en de wal te leggen sloeg soms los, knalde ergens tegen of sloeg een deur open zodat het water binnen stroomde. Dan was het letterlijk alle hens aan dek en mochten we water beginnen te scheppen.”

Heimwee naar het water

“Gewoonlijk waren we met vier matrozen. Je hecht je wel aan elkaar, maar echt streken uithalen werd niet gedaan, dat is niet bevorderlijk voor het vertrouwen. Een goede manier om de sfeer erin te houden was dingen meebrengen. Een taart, een fles drank, een ketel soep. Pintjes waren steeds voorradig (lacht). Als de kans zich voordeed om aan wal te gaan, gingen wij pinten pakken. Na veertien dagen dag en nacht werken gingen alle remmen dan wel eens los.”

“Op zo’n café leerde ik mijn vrouw Marina kennen. Zij bleek de ware te zijn en omdat ik vaker bij haar wilde zijn, stopte ik met varen en ging ik achtereenvolgens aan de slag als schilder, sluiswerker en elektricien. Die job als schilder deed ik wel graag, omdat ik plots veel vrije tijd kreeg en elke avond thuis was bij Marina. Als je gewend bent om heel veel uren te presteren is dat een zaligheid. Toch miste ik iets waar ik mijn vinger niet op kon leggen. Het was Marina die aan mij merkte dat ik heimwee had naar het varen. Zelf besefte ik niet hoe erg dat was. Ik zat regelmatig op een bolder naar de schepen op de Schelde te kijken. In diezelfde periode kwam er een examen voor schipper bij de baggerdienst van Antwerpen.  Marina heeft mij toen aangemoedigd om daar toch maar aan mee te doen, zodat ik terug kon gaan varen. Het grote verschil was dat ik aan de bagger elke avond terug thuis kwam, zodat ik kon varen en tijd met Marina kon doorbrengen.”

Het kapiteinsbestaan

“Intussen haalde ik een vaarbewijs, wat wilde zeggen dat ik met de baggerpraam mocht varen. Door gebrek aan werk ben ik overgestapt naar de sleepdienst, waar ik opnieuw als matroos moest beginnen. Ondanks dat ik de nodige papieren had, moest ik met een sleepboot leren varen, dat is een heel ander systeem dan met een baggerpraam. Pas na twee jaar sloeg ik voor dat examen, zo complex was het. Je moet alle reglementen, voorrangen en dokdieptes kennen, want in de haven is het druk varen. Van dan af was ik dertien jaar kapitein. Zo’n crew aansturen gaat op een heel natuurlijke manier. Ik hoefde niet met de vuist op de tafel te kloppen, de kapitein straalt automatisch een soort algemeen aanvaarde autoriteit uit.”

“Onder kapiteins is dat een ongeschreven wet dat je elkaar helpt bij problemen. Zo hebben we ooit een zinkend bulkschip, geladen met zand, uit de penarie geholpen. Het had een aanvaring gehad aan de Boudewijnsluis en was naar de kant gevaren. Wij zijn daar water van boord gaan pompen, maar dat ging niet snel genoeg, er kwam meer water binnen dan wij eruit pompten. Dus hebben wij hem gelicht zodat het lek boven water lag, totdat er een kraan en voldoende vrachtwagens waren om die te lossen.”

Populariteit van het veer

“Vorig voorjaar belde het havenbedrijf ons met de vraag of wij mee de veerdienst tussen het Steen en Linkeroever wilden verzorgen. Zij zetten volop in op watermobiliteit en de veerdienst is één van de initiatieven. Eerst vond ik dat een grappige vraag, maar toen ik daar langer over nadacht had ik iets van: waarom niet? Ik werk al 22 jaar in de haven en dit zou weer eens iets anders zijn. Ik zie dit ook als een manier om iets terug te geven aan mijn stad. De mensen vinden het veer plezant. Bovendien zie je de stad vanuit een ander oogpunt, al duurt het slechts vijf minuten. Velen moeten niet noodzakelijk in Linkeroever zijn, ze willen gewoon eens meevaren. Ik vind het fijn dat ik hen dat plezier kan gunnen. Als groene jongen zie ik ook de ecologische meerwaarde ervan, dus gaf ik mij op.”

“Vanaf dag één stonden de mensen aan de kaai te wachten, zo populair is het. Voor veel werknemers is het een deel van hun woon-werkverkeer geworden. In de zomer lijkt het hier wel een toeristische dienst, zoveel toeristen vervoeren wij. Als kapitein heb je best veel contact met de mensen en de vaste passagiers kennen we. Ik kom hier geregeld oude zeemannen tegen, met wie ik vroeger nog gevaren heb. Veel van hen zijn door economische omstandigheden van werk moeten veranderen en werken nu elders in de haven. Dikwijls zijn dat mensen die moeite hebben met gezag, die destijds zeeman werden omdat ze thuis wegwilden, die uit de band wilden springen en de wereld wilden zien. Dat is een typische trek bij zeelui.”

Volkstuin

“Samen met Marina werk ik in mijn vrije tijd in onze volkstuin in Merksem. Bij ons is het half siertuin, half moestuin. Mijn grootvader is net als ik als schipper bij de bagger gaan werken en heeft dan ook een groentetuin geplant. Van hem heb ik gezien hoe het moet. Eigenlijk ben ik dezelfde weg als hij opgegaan.”

Doe mee!

Vrachtwagens, bussen, auto’s… op de wegen in en rond de haven van Antwerpen rijden de voertuigen voortdurend af en aan. Om een verkeersinfarct in het hart van de economische welvaart te vermijden, introduceert Ontwikkeling Havengebied Antwerpen vele duurzame mobiliteitsoplossingen voor een vlottere bereikbaarheid. Daarvoor zet zij hoog in op Watermobiliteit, d.m.v. Waterbuslijnen, binnenvaarttransport en veerdiensten.

Zij kan rekenen op vele partners, zoals De Vloot, Stad Antwerpen en Port of Antwerp. Daarnaast dragen tientallen mensen elke dag hun steentje bij. Zij bereiken hun bestemming aan de andere kant van het water al fietsend, wandelend, lopend of rollend dankzij veerlieden als Patrick. Iedereen die het veer gebruikt, staat niet in de file, slaat onderweg een gezellig babbeltje en krijgt het unieke stadszicht er gratis bij.

Zoals Patrick zijn er nog meer mensen, die zorgen dat meerdere personen tegelijk op hun bestemming geraken. Ken jij iemand die daar mee over nadenkt? Of iemand die zich slim verplaatst? Misschien ben jij zelf zo iemand? Nomineer jouw havenheld en wij mobiliseren een welverdiend eerbetoon!

Start typing and press Enter to search